| |
|
Verbeelding in de wereld van Wielbergen
Gehandicapten experimenteren met wetenschap
Bron: Kunst- en Antiekjournaal juni/juli/augustus 2008
Tot de meest essentiele onderwerpen uit de kunstgeschiedenis behoren de esthetica en het vraagstuk van de beeldvorming in en van de kunst. Vooral de kwaliteit van deze beeldvorming is een geliefd onderwerp van gesprek en menigeen is zeer uitgesproken in zijn oordeel over het verschil tussen high art en low art, tussen kunst en kitsch. Deze meningen baseren wij in de eerste plaats op onze waarneming en waar het de beeldende kunst betreft vooral op onze visuele waarneming. Maar zijn wij als mensen niet te gehandicapt om op deze waarneming een zinnig oordeel te kunnen baseren?
Museum Evenbeeld
Deze vraag drong zich aan mij op toen ik rondliep op de fascinerende tentoonstelling ‘Gehandicapten experimenteren met wetenschap’ in Museum Evenbeeld. In het prachtig gerestaureerde landhuis Wielbergen, idyllisch gelegen op het gelijknamige landgoed te Angerlo (Gld), is onlangs het Museum Evenbeeld heropend met een geheel nieuwe opstelling. Dit museum is een samenwerkingsveband tussen de Stichting Philadelphia Zorg en Museum Boerhaave en stelt zich tot doel de beeldvorming van mensen met een verstandelijke beperking positief te beïnvloeden. Dit wordt gedaan door het organiseren van verschillende soorten activiteiten, zoals onder meer deze tentoonstelling.
De valkuilen van de waarneming
Door kijken leren wij mensen onze wereld kennen, maar onze visuele waarneming is geen mechanisme waarvoor het registreren van beelden alleen voldoende is. Kijken is een vorm van aandacht geven en wie alles wil zien, moet zijn aandacht voortdurend verleggen. In het dagelijks leven doet niemand dat, want wij menen dat we alles in onze omgeving goed zien. Maar dat is niet het geval. Er zijn diverse onderzoeken die aantonen dat wij visueel waarneembare verschillen en veranderingen vaak slecht waarnemen. Het blijkt dat men dénkt alles waar te nemen, maar het is aangetoond dat men in werkelijkheid alleen datgene ziet waar men zich op concentreert. De rest is een illusie, een beeld dat je hersenen projecteren op basis van je kennis, ervaring en verwachting. En op die waarneming baseren wij mensen onze uitgesproken mening over smaak. En zoals u weet valt over smaak niet te twisten. Want het betreft hier een persoonlijke smaak ontwikkeld op basis van een vrije keuze. Of niet?
De beperkte vrijheid van de smaakontwikkeling
De laatste jaren is vanuit de neurologische wetenschap de esthetische ervaring uitgebreid onderzocht door de Amerikaanse hersenonderzoeker V.S.Ramachandran en hij heeft kunnen aantonen dat het prikkelen van ons visuele systeem, uitmondend in een prettig gevoel, via vaste regels loopt. Op deze manier heeft hij een lijst van zeven wetten van een esthetische ervaring kunnen samenstellen. Met andere woorden; Ramachandran geeft hier aan wat wij mooi vinden. Ik heb meerdere jaren tekenen en schilderen gedoceerd op een kunstopleiding en van de wetten van Ramachandran veel baat gehad. Als een student zei te zijn vastgelopen in het ontwerpen van een schilderij of tekening nam ik, in mijn hoofd, zijn lijstje erbij.
Een paar van deze wetten zijn wel aardig om te noemen omdat ze voor velen zo herkenbaar zijn, zoals dat van de groepformatie. Dit is vergelijkbaar met het ordeningsprincipe. Iedere mode-ontwerper weet dat het een goed idee is om een kleur in bijvoorbeeld een stropdas terug te laten keren in die van je jasje. Dit is te verklaren uit het gegeven dat groepformatie ons brein denkkracht bespaart, wat evolutionair voordeeloplevert.
Een andere regel betreft Contrast. Het visuele systeem let op sprongen in helderheid of op kleurovergangen. Zo herkent het brein te midden van alle ruis die op ons netvlies valt een specifiek object en dat geeft ons een prettig gevoel.
Het heeft niet veel zin om nu hier alle zeven wetten van Ramachandran met u door te nemen, maar ik kan u verzekeren dat ik door te wijzen op deze lijst bij veel studenten de magie van de creativiteit, van het heilige scheppen, doorbrak. Maar daar had ik weinig moeite mee aangezien hun geloof in deze magie vooral gebaseerd was op onwetendheid. Onwetendheid over de wijze waarop wij mensen onze esthetische ervaringen vormen, maar, naar regelmatig bleek, ook over de beeldvorming van het begrip Kunst. Want Kunst is geen absoluut begrip, maar een relatief begrip. Kunst is wat wij hebben afgesproken eronder te verstaan en dat verschilt van tijd tot tijd en van stroming tot stroming.
Art Brut
Drie jaar geleden bezocht ik ook een tentoonstelling in Museum Evenbeeld. Deze was getiteld Outsiderkunst en bestond uit de expositie van werken behorende tot de Art Brut. Met de naam Art Brut wordt het werk van psychiatrische patiënten en van mensen met een mentale handicap aangeduid. Ik herinner mij dat ik de tentoonstelling geslaagd maar de titel slecht gekozen vond.
In het kort kwam het erop neer dat ik me stoorde aan de koppeling van de aanduiding Outsider aan het begrip Kunst. Een bekende uitspraak van de grondlegger van de Art Brut, de gerenommeerde kunstenaar Jean Dubuffet luidde tenslotte: “Het kenmerk van inventieve kunst is dat het absoluut niet lijkt op kunst zoals dat algemeen wordt herkend en dus… absoluut niet op kunst lijkt.”
Nieuwe opstelling Evenbeeld
Wat wil dit alles nu zeggen? Dat we ons bevinden in een wereld waar wij ons, beperkt door onze waarneming en voorbestemd in ons esthetisch oordeel, richten op een fenomeen, kunst, dat niet lijkt op wat het is. Hoe kan een centrum voor beeldvorming hier dan nog een zinnige tentoonstelling over maken?
Dat werd mij duidelijk gemaakt in Museum Evenbeeld. Om te beginnen heeft men hier niet de fout gemaakt in dit geval over kunst te spreken. Men heeft getracht een waardevrije tentoonstelling te maken rondom de thema’s Waarneming en Ordening. En vervolgens vanuit deze twee thema’s in 4 verschillende kamers de aandacht te richten op 4 verschillende onderwerpen.
Kamer 1 toont de waarneembare individuele wereld weerspiegeld in bezittingen en is getiteld ‘Mijn dingen’. Kamer 2 toont de waarneembare universele wereld vertaald vanuit het begrip tijd en is getiteld ‘Tijdlijn’. In Kamer 3 toont men manieren waarop de mens door kennis greep op het leven probeert te krijgen en is getiteld ‘Ordening’. En Kamer 4 toont de ongrijpbaarheid van ons leven door ons tekort aan kennis, getiteld ‘Binnenkant’,
Dit klinkt mogelijk volstrekt onbegrijpelijk. Maar dat is de tentoonstellingmakers niet te verwijten; dat is mijn fout, omdat ik geprobeerd heb te verwóórden wat deze kamers laten zíen. En deze kamers zijn niet ingericht met de bedoeling ideëen te verwoorden, verhalen te vertellen, antwoorden te geven. Nee, juìst niet; deze kamers roepen vragen op. Vragen rondom wetenschap en kennis. Rondom zekerheid en experiment, twijfel en vertouwen. Deze tentoonstelling legt verbanden waar zij voordien niet lagen en maakt in dat opzicht het onbekende zichtbaar.
De vraag in plaats van het antwoord
Dat is per definitie nieuw. En, in zijn benadering, ook weer niet. Want in de Kunst, hebben dergelijke vragen naar de onbekende kanten van het zijn kunstenaars keer op keer geïnspireerd tot het maken van de meest boeiende werken. In kamer 4 hangen, in combinatie met Röntgenfoto’s, een aantal objecten van zwart draad die beelden van mensen vormen die in de ruimte lijken op te lossen. Zij riepen bij mij associaties op met de draadfiguren van de beeldhouwer Alberto Giacometti, die werd geïnspireerd door het existentialisme van Jean Paul Sartre. Sartre onderzocht in 1943 in ‘L’Etre et le Néant’, vrij vertaald in ‘Het Zijn en het Niets” wat bestaan, existentie is. Hij noemt twee wijzen van zijn: het zijn van de stoffelijke dingen (ik denk aan de dingen uit kamer 1), en het zijn van het bewustzijn. De laatste zijnstoestand is gericht op het andere en is een constant bewustzijn het andere niet te zijn. Sartre schreef in een inleiding voor de catalogus bij een expositie van Giacometti: ‘Giacometti toont de mens niet alleen op afstand, maar op afstand van de mens. Hij maakt de mens zoals je hem ziet, zoals de mens er is voor de ander’. In mijn ogen is dat ook wat de samenstellers met deze tentoonstelling zichtbaar hebben gemaakt. De mens wiens essentie het is te existeren voor de ander. Maar daar hoeft u het volstrekt niet mee eens te zijn. Uw antwoord is net zo goed als het mijne. Het gaat hier tenslotte niet om de formulering van het antwoord, maar om de formulering van de vraag. In andere woorden, het gaat niet om het beeld, maar om de vorming. Zoals het in een centrum voor beeldvorming behoort.
Drs. Jaap Versteegh
Jaap.versteegh@pygmalion-art.com |
|